ECLI:NL:RVS:2018:1197
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- J.Th. Drop
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning bouw appartementen en parkeercarrousel in Noordwijk
Het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk verleende op 17 maart 2015 een omgevingsvergunning voor de bouw van zes appartementen, een parkeercarrousel en de aanleg van een uitweg op het perceel Koningin Wilhelmina Boulevard 4 te Noordwijk. Bever Holding en anderen maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het besluit, onder meer vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan en parkeernormen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 5 januari 2016, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het horecagedeelte geen deel uitmaakt van het bouwplan en dat de parkeercarrousel en bergingen op de begane grond binnen de planregels passen. De Afdeling wijst ook de bezwaren tegen de parkeernormen en de vergunning voor de uitweg af.
Het college stelde incidenteel hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, met het argument dat de rechtbank zelf in de zaak had kunnen voorzien en dat de bestuurlijke lus niet was toegepast. De Afdeling verklaart dit incidenteel hoger beroep gegrond en vernietigt het gedeelte van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 5 januari 2016 vernietigde voor zover het de omgevingsvergunning voor de uitweg betrof.
Verder oordeelt de Afdeling dat de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan met betrekking tot de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" terecht is verleend en dat de bezwaren van Bever Holding en anderen hiertegen niet slagen. Het beroep tegen het besluit van 27 juni 2017 wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling besluit het hoger beroep van Bever Holding en anderen ongegrond te verklaren, het incidenteel hoger beroep van het college gegrond, en bevestigt het besluit van 27 juni 2017 en het overige deel van de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep van Bever Holding en anderen wordt ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van het college gegrond, waarbij het besluit van 5 januari 2016 gedeeltelijk wordt hersteld en het besluit van 27 juni 2017 wordt bevestigd.