ECLI:NL:RVS:2017:576
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid na drugsvondst
Appellant volgde een opleiding tot beveiliger en kon door de intrekking van de toestemming door de korpschef niet stage lopen, waardoor hij zijn opleiding niet kon afronden. De korpschef trok de toestemming in nadat appellant was veroordeeld voor bezit van een handelshoeveelheid harddrugs, wat volgens de korpschef een ernstige aantasting van de rechtsorde en een gebrek aan betrouwbaarheid betekende.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen en dat geen plaats was voor toepassing van de hardheidsclausule of belangenafweging. Appellant stelde in hoger beroep dat de enkele veroordeling onvoldoende was om aan zijn betrouwbaarheid te twijfelen, dat het delict in de privésfeer lag en dat de intrekking zijn toekomst ernstig schaadde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de korpschef beoordelingsruimte heeft en dat hogere eisen aan betrouwbaarheid in de beveiligingsbranche mogen worden gesteld. De intrekking was gerechtvaardigd omdat appellant blijk gaf rechtsregels naast zich neer te leggen. Hoewel de rechtbank de belangenafweging niet had onderkend, was die door de korpschef wel gemaakt en niet onredelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt bevestigd vanwege onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.