ECLI:NL:RVS:2015:865
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
De korpschef heeft aan appellant op 3 september 2013 de toestemming onthouden om werkzaamheden te verrichten voor een particuliere beveiligingsorganisatie en eerder verleende toestemmingen ingetrokken. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De beslissing is gebaseerd op artikel 7 van Pro de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de bijbehorende Circulaire. Appellant was onherroepelijk veroordeeld wegens mishandeling en had een strafbeschikking wegens een eerdere mishandeling. Dit leidde tot het oordeel dat hij onvoldoende betrouwbaar was voor beveiligingswerkzaamheden.
Appellant voerde aan dat de belangenafweging onevenredig nadelig was, mede vanwege financiële gevolgen en het feit dat de incidenten tijdens zijn werkzaamheden plaatsvonden. De rechtbank en de Raad van State oordeelden dat artikel 7, vierde lid, geen ruimte laat voor belangenafweging en dat bij het vijfde lid wel een belangenafweging mogelijk is, maar dat de korpschef deze naar behoren heeft gemaakt. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid.