ECLI:NL:RVS:2017:2270
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitschrijving uit basisregistratie personen wegens langdurig verblijf in het buitenland
Appellant werd ambtshalve uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) omdat hij sinds 24 juni 2014 in Indonesië verbleef en daarmee langer dan twee derde van het jaar buiten Nederland was. Het college handelde op grond van artikel 2.21 van de Wet brp, dat voorschrijft dat bij langdurig verblijf in het buitenland uitschrijving volgt.
Appellant voerde aan dat hij wegens een noodsituatie in Indonesië verbleef om voor zijn minderjarige kinderen te zorgen en dat hij de intentie had terug te keren, waardoor geen sprake was van emigratie. Ook stelde hij dat het college had moeten onderzoeken of inschrijving op een briefadres mogelijk was.
De Raad van State oordeelde dat het feitelijke verblijf van meer dan twee derde van het jaar buiten Nederland doorslaggevend is, ongeacht het doel of de intentie van appellant. Een belangenafweging is niet toegestaan en het college hoefde geen onderzoek te doen naar de redenen van verblijf. Daarnaast voldeed appellant niet aan de voorwaarden voor inschrijving op een briefadres, omdat hij niet als ingezetene kon worden beschouwd.
De uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd daarmee bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitschrijving van appellant uit de basisregistratie personen wegens verblijf van meer dan twee derde van het jaar in Indonesië.