ECLI:NL:RVS:2016:833
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking marktvergunning wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok op 25 september 2014 de marktvergunningen van appellant in vanwege het tewerkstellen van een vreemdeling zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning, in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze intrekking, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden dit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Marktverordening Den Haag 2013 niet onverbindend is en dat er ruimte zou moeten zijn voor een belangenafweging bij bijzondere omstandigheden. De Raad van State oordeelde dat de bepaling dwingendrechtelijk is geformuleerd om een veilige, eerlijke en transparante markt zonder oneerlijke concurrentie te waarborgen. Daarom is geen ruimte voor een belangenafweging of een hardheidsclausule.
Verder stelde appellant dat een lichtere sanctie passend zou zijn geweest, zoals een waarschuwing of schorsing, mede gezien zijn schone verleden en het ontbreken van financieel voordeel. De Raad van State verwierp dit, omdat artikel 13, eerste lid, geen discretionaire bevoegdheid biedt om van intrekking af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de marktvergunningen wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen zonder ruimte voor belangenafweging.