ECLI:NL:RVS:2016:3446

Raad van State

Datum uitspraak
23 december 2016
Publicatiedatum
27 december 2016
Zaaknummer
201605854/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel voor soennitische moslims uit Mosul

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 30 juni 2016 aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten, waarbij zij de staatssecretaris opdroeg nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van haar overwegingen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog aan de hand van een eerdere uitspraak dat soennitische moslims afkomstig uit gebieden waar de Islamitische Staat actief is, zoals Mosul, geen reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer naar Irak.

De Raad van State stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.

Uitspraak

201605854/1/V2.
Datum uitspraak: 23 december 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 juli 2016 in zaken nrs. 16/14476, 16/14480 en 16/14482 in het geding tussen:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2] en [de vreemdeling 3]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 30 juni 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam, hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3085, aan de hand van in die zaak overgelegde informatie overwogen dat, samengevat weergegeven, soennitische moslims met een kenbare herkomst uit een gebied waar Islamitische Staat in Irak en al-Sham/Islamitische Staat actief is, in de stad Bagdad geen reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
1.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen als soennieten bij wie op hun identiteitskaarten is vermeld dat zij afkomstig zijn uit Mosul, bij terugkeer naar Irak geen reëel risico lopen op ernstige schade. Nu de vreemdelingen zich ter zake beroepen op dezelfde stukken als die, die zijn beoordeeld in voormelde uitspraak, slaagt de grief.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en, omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, de beroepen ongegrond verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 juli 2016 in zaken nrs. 16/14476, 16/14480 en 16/14482;
III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Bosma
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2016
572-837.