ECLI:NL:RVS:2016:1769
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en bezwaar tegen feitelijke uitzetting
De staatssecretaris heeft op 9 april 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 mei 2016 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens maakte de vreemdeling bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 uitzonderlijk is en dat een vreemdeling geen bezwaar kan maken tegen feitelijke uitzetting zolang rechtsmiddelen tegen het besluit dat de bevoegdheid tot uitzetting geeft nog openstaan. Dit is in lijn met eerdere uitspraken die het belang van concentratie van rechtsbescherming benadrukken.
Omdat het bezwaarschrift van de vreemdeling tegen de feitelijke uitzetting moet worden aangemerkt als een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de rechtbank, en het aangevoerde geen reden geeft tot vernietiging van die uitspraak, verklaart de Afdeling het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de uitspraak van 2 mei 2016.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond.