ECLI:NL:RVS:2016:1624
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geldigheid en rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling is bij besluit van 5 maart 2008 ongewenst verklaard en meerdere malen naar Marokko verwijderd. In december 2015 is zijn uitzetting geannuleerd vanwege medische redenen en is hij in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in en voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat deze niet gericht was op verwijdering, en stelde vragen over de geldigheid van de toepasselijke bepalingen van de Opvangrichtlijn in het licht van het Handvest van de EU.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak behandeld en de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn bevestigd, waarbij is aangesloten bij het arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2016. De bewaring is volgens de Afdeling een proportionele en wettelijk gelegitimeerde maatregel die voldoet aan de eisen van het Handvest en het EVRM. De klacht dat de bewaring onrechtmatig is omdat geen uitwijzingsprocedure hangende is, faalt omdat na terugkeer het eerdere terugkeerbesluit is vervallen, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De Afdeling ziet geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen of het onderzoek te schorsen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.