ECLI:NL:RVS:2016:1486
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Belastingdienst tot herziening kinderopvangtoeslag na verstrijken termijn
In deze zaak betwist appellant de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 en 2007 door de Belastingdienst/Toeslagen, die lager werd vastgesteld dan de eerder toegekende voorschotten. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt anders.
De Afdeling stelt vast dat de Awir geen expliciete termijn bevat waarbinnen de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot moet herzien of de toeslag definitief moet vaststellen, maar dat de beslistermijnen in artikel 19 Awir Pro geen bevoegdheidsbeperking inhouden. Wel geldt op grond van artikel 21, tweede lid, Awir een vervaltermijn van vijf jaar na het berekeningsjaar voor herziening van een definitief vastgestelde toeslag.
De Afdeling concludeert dat de bevoegdheid tot herziening van een voorschot of definitieve vaststelling van de toeslag op een lager bedrag dan het voorschot vervalt vijf jaar na het berekeningsjaar. Omdat de besluiten van 19 en 25 maart 2014 meer dan vijf jaar na het berekeningsjaar zijn genomen, waren deze besluiten niet bevoegd. De toeslagen moeten daarom definitief worden vastgesteld op het bedrag van de laatst toegekende voorschotten. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen en stelt de toeslagen definitief vast op de hogere bedragen.
Uitkomst: De kinderopvangtoeslag wordt definitief vastgesteld op het bedrag van de laatst toegekende voorschotten, en de terugvordering wordt afgewezen.