ECLI:NL:RVS:2016:1390
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag en terugvordering voorschotten wegens overschrijding heffingvrij vermogen
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag van appellant over de jaren 2011, 2012 en 2013 definitief vast op nihil en vorderde teveel betaalde voorschotten terug, omdat het vermogen van appellant, grotendeels bestaande uit een schenking van zijn ouders, het heffingvrije vermogen overschreed. Appellant voerde aan dat hij geen werkelijk voordeel had van de schenking en dat zijn draagkracht niet was toegenomen, maar juist afgenomen, mede omdat de rente op de schenking werd gekort op zijn bijstandsuitkering.
De rechtbank wees het beroep van appellant af en de Raad van State bevestigde deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst gehouden was het voordeel uit sparen en beleggen zoals vastgesteld in de aanslagen inkomstenbelasting in aanmerking te nemen. De uitzonderingen op deze regel, zoals genoemd in de Uitvoeringsregeling Awir, waren niet van toepassing.
Verder stelde appellant dat het besluit in strijd was met artikel 34 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat het recht op sociale bijstand en huisvesting erkent. De Afdeling oordeelde echter dat de besluiten niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen en dat dit betoog faalde.
Appellant klaagde ook over de terugvordering die zijn inkomen onder het bestaansminimum zou brengen, maar de Belastingdienst bood mogelijkheden voor betalingsregelingen en rekening houden met de beslagvrije voet. Ten slotte wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn af, omdat hiervoor bijkomende omstandigheden nodig zijn die niet waren gesteld.
De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De aangevallen uitspraken worden bevestigd en de hoger beroepen ongegrond verklaard.