ECLI:NL:RVS:2014:4785
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vrijheidsontneming minderjarige vreemdeling wegens ontbrekende schriftelijke maatregel
Bij besluiten van 3 juni 2014 legde de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan twee vreemdelingen een vrijheidsontnemende maatregel op. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond en wees hun verzoek om schadevergoeding af. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat voor de minderjarige vreemdeling (vreemdeling 3) geen schriftelijke maatregel tot vrijheidsontneming was opgesteld, wat volgens de Vreemdelingenwet 2000 vereist is voor rechtmatigheid. Hierdoor was de vrijheidsontneming van vreemdeling 3 vanaf het begin onrechtmatig. Het hoger beroep voor vreemdeling 3 werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Voor de andere twee vreemdelingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en hun verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Afdeling kende aan vreemdeling 3 een vergoeding toe van €1.200 over de periode van 3 juni tot 18 juni 2014, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.461 voor professionele rechtsbijstand.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond voor minderjarige vreemdeling wegens onrechtmatige vrijheidsontneming; vergoeding toegekend en proceskosten vergoed.