ECLI:NL:RVS:2014:4790
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onrechtmatige vrijheidsontneming minderjarige vreemdelingen
Bij besluit van 10 maart 2014 werd aan vreemdeling 1 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat voor de minderjarige vreemdelingen 2 en 3 geen schriftelijke maatregel tot vrijheidsontneming aanwezig was, waardoor hun vrijheidsontneming vanaf het begin onrechtmatig was. Dit leidde tot vernietiging van het vonnis voor deze minderjarigen en toekenning van een schadevergoeding over de periode van 10 maart tot 21 maart 2014, de dag waarop de vrijheidsontneming werd opgeheven.
Het hoger beroep van vreemdeling 1 werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding van deze vreemdeling afgewezen. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor de rechtsbijstand van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minderjarige vreemdelingen wordt gegrond verklaard en zij ontvangen een schadevergoeding; het hoger beroep van vreemdeling 1 wordt ongegrond verklaard.