ECLI:NL:RVS:2014:3809
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens geen rechtmatig verblijf
Bij besluit van 24 januari 2013 wees de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van appellant voor het kindgebonden budget over 2012 af vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 3 augustus 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland bevestigde dit oordeel op 20 februari 2014, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant stelde dat de weigering in strijd was met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), met name de artikelen 2 en 27, en dat het belang van het kind onvoldoende was meegewogen. De Afdeling oordeelde dat het kindgebonden budget een aanspraak van de ouder is en niet van het kind zelf, waardoor het IVRK-artikel 2 niet Pro van toepassing is op de afwijzing. Tevens zijn de bepalingen van artikel 27 IVRK Pro niet rechtstreeks toepasbaar zonder nadere nationale regelgeving.
De Afdeling bevestigde het oordeel dat appellant geen rechtmatig verblijf had zoals vereist in de Vreemdelingenwet 2000, waardoor geen aanspraak op het kindgebonden budget bestaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd wegens geen rechtmatig verblijf.