ECLI:NL:RVS:2014:3201
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding na Wob-verzoek en hoorzitting in bezwaar
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over een Wob-verzoek en de vergoeding van proceskosten. De korpschef had op 6 juli 2012 beslist op het Wob-verzoek, waarna appellant bezwaar maakte tegen het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De rechtbank stelde appellant deels in het gelijk en kende een dwangsom en rente toe, maar wees een vergoeding voor de kosten van de telefonische hoorzitting af.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte een lage wegingsfactor toepaste bij de proceskostenvergoeding en dat de telefonische hoorzitting gelijkgesteld moest worden aan een fysieke hoorzitting, wat een vergoeding rechtvaardigt. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht een lage wegingsfactor hanteerde omdat het geschil van licht gewicht was, maar dat de telefonische hoorzitting wel als een hoorzitting moet worden gezien.
De Afdeling vernietigde daarom het deel van het besluit waarin de korpschef niet werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het horen in bezwaar en bepaalde dat de korpschef aan appellant €121,75 moet vergoeden voor deze kosten. Tevens werd de korpschef veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van €121,75 voor kosten van het horen in bezwaar en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep.