ECLI:NL:RVS:2014:2723
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- N. Verheij
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens onvoldoende aanknopingspunten met Nederlandse rechtssfeer
De Raad voor Rechtsbijstand wees een aanvraag van wederpartij om toevoeging voor rechtsbijstand af, omdat het rechtsbelang niet in de Nederlandse rechtssfeer zou liggen. Wederpartij wilde een civielrechtelijke procedure voeren tegen R. Mladic wegens onrechtmatige daad, met schadevergoeding als inzet.
De rechtbank oordeelde dat het bestaan van Nederlandse rechtsmacht zwaar weegt bij de vraag welk land verantwoordelijk is voor rechtsbijstand en vernietigde het besluit van de raad wegens onvoldoende motivering. De raad stelde in hoger beroep dat rechtsmacht slechts één factor is en dat er onvoldoende binding met Nederland is, omdat de onrechtmatige daad en schade in het buitenland liggen, partijen buitenlandse nationaliteiten hebben en het buitenlandse recht van toepassing is.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de raad onvoldoende had gemotiveerd waarom het rechtsbelang niet in de Nederlandse rechtssfeer ligt. Tegelijkertijd oordeelde zij dat de raad in het nieuwe besluit voldoende heeft gemotiveerd dat er geen zodanige binding met Nederland is dat gefinancierde rechtsbijstand gerechtvaardigd is.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde het besluit van de raad en veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van rechtsmacht en aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bij toevoegingen voor rechtsbijstand.
Uitkomst: Het beroep van de Raad voor Rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand wordt bevestigd.