ECLI:NL:RVS:2014:1542
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Justitie op 24 september 2010 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in.
Daarnaast werd op 17 juli 2013 een inreisverbod uitgevaardigd door de staatssecretaris, waartegen eveneens beroep werd ingesteld en door de rechtbank ongegrond verklaard. Ook tegen dit oordeel werd hoger beroep ingesteld.
De Raad van State overweegt dat het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het inreisverbod rechtsgevolgen heeft die het belang van de vreemdeling bij het hoger beroep doen vervallen. Het hoger beroep tegen het inreisverbod wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep tegen het inreisverbod ongegrond, waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.