ECLI:NL:RVS:2013:BZ8408
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C.J. Borman
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening kinderopvangtoeslag wegens strijd met artikel 21 Awir
Appellante had voor 2007 kinderopvangtoeslag aangevraagd en een voorschot ontvangen. De Belastingdienst stelde de toeslag definitief vast op basis van door appellante verstrekte gegevens. Later herzag de Belastingdienst de toeslag naar nihil wegens vermeend ontbreken van bewijs van betaling van een eigen bijdrage en het ontbreken van een verklaring omtrent gedrag van de gastouder.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de Belastingdienst de definitieve vaststelling van de toeslag niet meer mocht herzien zonder te voldoen aan de strenge eisen van artikel 21 Awir Pro.
De Belastingdienst had niet aannemelijk gemaakt dat appellante wist of behoorde te weten dat de toeslag te hoog was toegekend. Het ontbreken van bewijs van betaling van een eigen bijdrage na de vaststelling was onvoldoende grond voor herziening. Daarom werd het besluit van 16 juni 2011 vernietigd en het besluit van 24 juni 2009 herleefde.
De Afdeling veroordeelde de Belastingdienst tevens tot vergoeding van de proceskosten en vergoedde het door appellante betaalde griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de kinderopvangtoeslag 2007 wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.