ECLI:NL:RVS:2013:BZ8392
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok de verblijfsvergunning van de vreemdeling in op grond van betrokkenheid bij ernstige misdrijven tijdens zijn dienst als politieagent in Noord-Irak, met name de overdracht van een verdachte aan de veiligheidsdienst die tot marteling en overlijden leidde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de Raad van State stelde vast dat de vreemdeling als onderdeel van de politie onder invloed van de Koerdische Democratische Partij (KDP) stond, die als strijdende partij in een niet-internationaal gewapend conflict kan worden aangemerkt. De vreemdeling had kennis van de martelingen en heeft persoonlijk bijgedragen aan de overdracht, wat kwalificeert als oorlogsmisdrijf.
De Raad oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro niet aan de intrekking in de weg stonden. Hierdoor werd het besluit van 9 juli 2010 vernietigd en werd de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit met inachtneming van de motieven.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en benadrukt de noodzaak van zorgvuldige motivering bij intrekkingsbesluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor een nieuw besluit.