Uitspraak
201207331/1/A2, aanleiding artikel 4:51, eerste lid, van de Awb analoog van toepassing te achten. Hierbij is in aanmerking genomen dat aan deze bepaling het vertrouwensbeginsel ten grondslag ligt en de langdurige subsidierelatie tussen partijen mede door het vertrouwensbeginsel wordt beheerst, zodat reeds daarom bij de gedeeltelijke beëindiging van die subsidierelatie geldt dat een redelijke termijn in acht moet worden genomen. Vervolgens komt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 april 2002 in zaak nr.
200106333/1, tot het oordeel dat de brief van 28 juni 2011 een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is, dat voor bezwaar en beroep vatbaar is. In deze uitspraak heeft de Afdeling op grond van de overweging dat de bescherming die artikel 4:51 van Pro de Awb wil verlenen, niet tot haar recht komt, als het voornemen tot gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie wordt gezien als een aankondiging zonder rechtsgevolg, een zodanig voornemen als besluit aangemerkt. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.
201202924/1/A2), dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de gehele of gedeeltelijke beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen. Dit geldt evenzeer bij de analoge toepassing van deze bepaling, die hier aan de orde is.
201106837/1/A2) bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.