ECLI:NL:RVS:2013:883
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en weigering verblijfsvergunning asiel
De minister heeft op 23 januari 2012 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen en een inreisverbod uitgevaardigd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het inreisverbod gegrond en vernietigde het besluit in zoverre. Zowel de vreemdeling als de minister gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is en dat het hoger beroep van de minister gegrond is. De Afdeling vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover het het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaarde. De Afdeling toetst het inreisverbod aan de relevante wetsartikelen en het EVRM, waarbij zij onder meer overweegt dat het belang van de vreemdeling moet worden afgewogen tegen het algemeen belang van Nederland.
De vreemdeling voerde aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro omdat hij sinds 1999 in Nederland verblijft, familie heeft en een vaste baan. De staatssecretaris stelde dat voor een beroep op artikel 8 een Pro verblijfsduur van circa dertig jaar vereist is en dat de vreemdeling geen sterke sociale banden heeft. De Afdeling volgt de staatssecretaris en acht het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd.