ECLI:NL:RVS:2013:2486
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgrondslag en beoordeling inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 7 december 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het inreisverbod. De staatssecretaris stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het inreisverbod niet gebaseerd is op artikel 66a lid 1 sub a van de Vreemdelingenwet 2000, zoals de rechtbank had aangenomen, maar op sub b van hetzelfde artikel. Dit omdat de vreemdeling Nederland niet binnen de gestelde vertrektermijn heeft verlaten na afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel. Hierdoor is er een wettelijke grondslag voor het opleggen van het inreisverbod.
De Afdeling beoordeelt vervolgens de overige beroepsgronden, waaronder het betoog van de vreemdeling dat het inreisverbod een onrechtmatige inmenging vormt in zijn gezinsleven met zijn rechtmatig in Noorwegen verblijvende verloofde. De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd waarom deze inmenging gerechtvaardigd is, mede omdat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn gezinsleven elders niet kan uitoefenen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.