ECLI:NL:RVS:2013:2423
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling asielaanvraag op grond van seksuele gerichtheid en vervolgingsgevaar
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die het afwijzingsbesluit van een asielaanvraag wegens seksuele gerichtheid vernietigde. De vreemdeling had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke was afgewezen omdat zijn asielrelaas als ongeloofwaardig werd beschouwd.
De Raad van State heeft het onderzoek geschorst voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de Definitierichtlijn inzake vluchtelingenstatus, met name over de bescherming van homoseksuelen als specifieke sociale groep. Het Hof oordeelde dat homoseksuelen een specifieke sociale groep vormen en dat van hen niet kan worden verlangd hun seksuele gerichtheid te verbergen om vervolging te voorkomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de staatssecretaris onvoldoende heeft onderzocht hoe de vreemdeling na terugkeer invulling zal geven aan zijn seksuele gerichtheid en in hoeverre dit tot vervolging kan leiden. De beoordeling van het vervolgingsgevaar moet rekening houden met de situatie in het land van herkomst en de mate van bescherming die homoseksuelen daar kunnen verwachten. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.