ECLI:NL:RVS:2013:1620

Raad van State

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
23 oktober 2013
Zaaknummer
201209996/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen inreisverbod wegens gebrek aan belang

De minister vaardigde op 6 juni 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die het beroep gegrond verklaarde en het inreisverbod vernietigde. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

Tijdens de procedure bleek dat de vreemdeling op 9 juli 2012 naar Wit-Rusland was uitgezet en sindsdien geen contact meer had met haar gemachtigde. Dit leidde tot de conclusie dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelde op een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het inreisverbod.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep ontvankelijk had verklaard en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep gegrond verklaarde. De Raad verklaarde het beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk wegens gebrek aan rechtens te beschermen belang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

201209996/1/V3.
Datum uitspraak: 15 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 september 2012 in zaak nr. 12/21527 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 september 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
1.1. De vreemdeling is op 9 juli 2012 naar Wit-Rusland uitgezet.
Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 5 september 2012 alsmede het verweerschrift van 1 november 2012 op het hoger beroep van de staatssecretaris kan worden afgeleid dat de gemachtigde in de periode na de uitzetting van de vreemdeling geen contact meer met haar heeft gehad. Bij faxbericht van 4 oktober 2013 heeft de gemachtigde van de vreemdeling desgevraagd aan de Afdeling bevestigd na de uitzetting geen contact meer met haar te hebben gehad.
1.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 januari 2013 in zaak nr. 201112953/1/V3 overweegt de Afdeling dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelde op een inhoudelijke beoordeling van het door haar tegen het besluit van 6 juni 2012 ingestelde rechtsmiddel, nu zij na haar uitzetting uit Nederland geen contact met haar gemachtigde heeft onderhouden. Reeds hierom had de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde beroep. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte nagelaten het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 6 juni 2012 om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Het hoger beroep van de staatssecretaris is reeds hierom kennelijk gegrond. De grieven van de staatssecretaris behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 6 juni 2012 gegrond heeft verklaard en dat inreisverbod heeft vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 september 2012 in zaak nr. 12/21527, voor zover zij daarbij het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod van 6 juni 2012 gegrond heeft verklaard en dat inreisverbod heeft vernietigd;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013
345-755