Uitspraak
200909278/1/H22) dient ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is, ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, van de Awir en artikel 21, aanhef en onder e, van de Awr, het verzamelinkomen, zoals in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen, in aanmerking te worden genomen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de Belastingdienst bij de bepaling van de draagkracht was gehouden het door de belastinginspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting 2009 vastgestelde verzamelinkomen te volgen, hetgeen de Belastingdienst hier ook heeft gedaan. De Wet op de zorgtoeslag biedt, zoals ook volgt uit de uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr.
201003432/1/H2geen mogelijkheid om hier van af te wijken.
200204284/1) terecht overwogen dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat toepassing van de bepalingen van de Wet op de zorgtoeslag onbillijke of onredelijke gevolgen heeft, dient hij zich dan ook niet tot de rechter maar tot de wetgever te wenden. De Belastingdienst was hier, anders dan [appellant] betoogt, niet toe verplicht. Anders dan [appellant] aanvoert kan een bezwaar tegen een besluit van de Belastingdienst evenmin worden aangemerkt als een bezwaar dat mede als gericht zou moeten worden beschouwd tegen de wetgever.