ECLI:NL:RVS:2012:BY0833
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ongewenst verklaard ondanks gezag over Nederlands kind, beroep afgewezen
De minister voor Immigratie en Asiel verklaarde de vreemdeling ongewenst en wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde de besluiten, stellende dat het kind, met de Nederlandse nationaliteit, gedwongen zou worden de vreemdeling te volgen buiten de EU, wat strijdig zou zijn met artikel 20 VWEU Pro.
De minister stelde in hoger beroep dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat de vader van het kind niet voor het kind kon zorgen, en dat het arrest Ruiz Zambrano niet van toepassing was. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het kind volledig afhankelijk was van de vreemdeling, gezien de omgangsregeling met de vader.
Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van een schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat het gezinsleven niet onredelijk werd belemmerd. Het beroep van de vreemdeling op het Handvest van de grondrechten werd eveneens verworpen omdat het niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht viel.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond; de ongewenstverklaring blijft van kracht.