ECLI:NL:RVS:2012:BW9114
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die de bewaring van een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig verklaarde en opheffing van de bewaring beval. De vreemdeling was in december 2010 in bewaring gesteld na aankomst op Schiphol en had kenbaar gemaakt asiel te willen aanvragen.
De minister betoogde dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing was omdat de vreemdeling rechtmatig verblijf had als asielzoeker. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de Terugkeerrichtlijn toepaste, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidt omdat de bewaring onrechtmatig was opgelegd volgens de juiste wetsbepalingen.
De Afdeling bevestigde dat de vreemdeling als asielzoeker rechtmatig verblijf had en dat de bewaring niet krachtens het juiste artikel van de Vreemdelingenwet was opgelegd. Verder was er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Griekenland, waardoor de bewaring niet rechtmatig kon zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn; het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.