ECLI:NL:RVS:2011:BP1916
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Griekenland
De vreemdeling was op 13 september 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op overdracht aan Griekenland op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze bewaring ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelde vast dat op 3 september 2010 een mededeling was geplaatst dat hoger beroepszaken over overdracht aan Griekenland met betrekking tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel voorlopig werden aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Hierdoor was vanaf 4 september 2010 geen zicht meer op uitzetting binnen afzienbare tijd.
De Afdeling oordeelde dat de inbewaringstelling vanaf het begin onrechtmatig was omdat niet te verwachten viel dat de overdracht spoedig zou plaatsvinden. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend over de periode dat de bewaring duurde. Daarnaast werden de proceskosten aan de minister opgelegd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is vanaf het begin onrechtmatig verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.