Uitspraak
200902484/1/V6,
200902489/1/V6en
200902516/1/V6, ter zitting behandeld op 22 oktober 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
200801014/1gestelde prejudiciële vragen.
200902484/1/V6,
200902489/1/V6en
200902516/1/V6, ter zitting voortgezet op 10 november 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Hokke, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
200802235/1, slaagt dit beroep niet. Anders dan in die zaak, heeft de minister thans, zoals blijkt uit het hiervoor onder 2.4.3. tot en met 2.4.5. overwogene, voldoende onderzoek verricht naar de vraag of de dienstverrichting door [appellante] heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als hiervoor bedoeld en heeft hij zich bij het opleggen van de boete terecht op het standpunt gesteld dat dit het geval was, omdat aan de door het Hof geformuleerde criteria was voldaan. Dat de minister in de door [champignonkwekerij] genoemde zaak [bedrijf A] de opgelegde boete heeft ingetrokken en in de zaak [bedrijf B] geen boete heeft opgelegd, maakt dit niet anders.
200604911/1), is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11). Voor de bepaling van de redelijke termijn dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof echter niet te worden meegerekend indien het afwachten van die beslissing redelijk is (arrest van de Hoge Raad van 9 april 2010, nr. 07/10306; AB 2010, 266).