ECLI:NL:RVS:2011:BU3721

Raad van State

Datum uitspraak
2 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201109975/1/H2 en 201109975/3/H2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • M.R. Poot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 120 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen schadevergoeding vóór Vreemdelingenwet 2000

Bij besluit van 31 augustus 2010 wees de minister een verzoek van appellant om schadevergoeding af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzitter behandelde het verzoek op 27 oktober 2011.

De Raad overwoog dat het schadeveroorzakend handelen plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001. Op grond van artikel 120 van Pro deze wet is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van hoger beroep tegen uitspraken over besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze wet.

Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om het hoger beroep te behandelen en wees zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

201109975/1/H2 en 201109975/3/H2.
Datum uitspraak: 2 november 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 5 augustus 2011 in zaak nr. 10/39087 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Immigratie en Asiel (voorheen: de minister van Justitie; hierna: de minister).
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.
Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 augustus 2011, verzonden op 18 augustus 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 oktober 2011, waar [appellant] is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 120 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.
2.3. Het door [appellant] gestelde schadeveroorzakend handelen heeft plaatsgevonden in of voor maart 2001. Omdat dat vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 is, is de Afdeling ingevolge artikel 120 van Pro deze wet niet bevoegd om kennis te nemen van tegen een uitspraak op daartegen ingestelde beroep ingesteld hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 6 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0578/Q01, AB 1997, 229), brengt dat mee dat evenmin hoger beroep bij haar openstaat tegen een uitspraak met betrekking tot een besluit op een verzoek om de uit dat schadeveroorzakend handelen voortvloeiende schade te vergoeden.
2.4. De conclusie is dat de Afdeling onbevoegd is om van het bij haar ingestelde hoger beroep kennis te nemen. Dat geeft aanleiding tot de na te melden beslissing.
2.5. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de Afdeling onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011
362.