Uitspraak
200902874/1/R3is uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat de strekking van een besluit inhoudende het geven van een reactieve aanwijzing duidelijk is. De strekking van een dergelijk besluit dient dan ook niet behoeven te worden afgeleid uit de overwegingen die daarin zijn opgenomen of uit hetgeen het college met het geven van de reactieve aanwijzing heeft beoogd; alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit is hiervoor bepalend. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg 17. De enkele omstandigheid dat dit perceel wel is opgenomen binnen de rode belijning op de bijlage die behoort bij de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Bredaseweg 19 vormt geen grond voor een ander oordeel nu in het dictum van het bestreden besluit niet is bepaald dat deze reactieve aanwijzing betrekking heeft op de in de bijlage met een rode belijning aangegeven percelen.
200910210/1/R1volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid.
201005138/1/R3) is, voor het antwoord op de vraag of een bepaald belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten en is de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen.
201009121/1/R3, dat het college in het algemeen in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan indien niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde Verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van de Verordening en het daaraan ten grondslag liggende provinciale beleid. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing.
200910210/1/R1) maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt. Dit betoogt faalt.
200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel van [appellant sub 3].
201007291/1/R3, en van 21 januari 2009, nr.
200800347/1, geldt als uitgangspunt bij een verleende vrijstelling op grond van artikel 17 van Pro de WRO dat na het verstrijken van de termijn de met het bestemmingsplan strijdige situatie hetzij in de vorige toestand wordt hersteld, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht. Echter, de Wro noch enig ander wettelijk voorschrift verzet zich ertegen dat een eenmaal door toepassing van artikel 17 van Pro de WRO mogelijk gemaakte bebouwing of gebruik, ook na verloop van de in dat artikel beschreven termijnen, alsnog in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Bepalend is of een definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht.
200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.
200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.
200902874/1/R3) betekent het feit dat sprake zou zijn van een bestaande situatie waartegen niet handhavend is opgetreden en ten aanzien waarvan niet het voornemen bestaat om handhavend op te treden niet dat dit bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan zonder meer als zodanig dient te worden bestemd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.