Uitspraak
200802167/1), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor een maximaal aantal jaren is verleend, op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Om het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van Pro de WRO, gelezen in samenhang met artikel 19 van Pro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, niet mogelijk.
200203595/1; AB 2003/112), vangt de in artikel 17 van Pro de WRO bedoelde vijfjarentermijn aan op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of het daarmee strijdige gebruik een aanvang neemt. Nu de bouw omstreeks april 2011 een aanvang heeft genomen, eindigt de vijfjarentermijn omstreeks april 2016. Ook het betoog van de stichting SBEZK dat het bouwplan voorziet in permanente bebouwing doordat de gebruikelijke lichte bouwwijze ontbreekt en doordat heiwerkzaamheden zijn beoogd, doet aan deze conclusie niet af. Het college heeft ter zitting gemotiveerd uiteengezet dat de heiwerkzaamheden benodigd zijn vanwege de ondergrond van het perceel en dat deze werkzaamheden zijn afgestemd op de tijdelijkheid van het bouwplan, waarbij het heeft verwezen naar de brief van 20 maart 2009 van ingenieursbureau Inpijn-Blokpoel Sliedrecht B.V., waaruit blijkt dat de paalfundering na de gebruiksperiode van de bouwunits verwijderd kan worden. De door de stichting SBEZK overgelegde brief van Architectenbureau Prent van 5 november 2009, waarin staat dat de voor tijdelijke bouwwerken gebruikelijke lichte bouwwijze ontbreekt, maakt dat niet anders. Voorts kan in de omstandigheid dat geen ontruimingsplan dan wel handhavingsplan is opgesteld, geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van permanente bebouwing, nu dergelijke plannen geen informatie over de aard van de bebouwing verstrekken. Daar waar de stichting SBEZK stelt dat het college niet (afdoende) optreedt tegen de reeds aanwezige illegale bebouwing op het perceel, wordt overwogen dat die omstandigheid, wat daar ook van zij, geen rol speelt in de onderhavige situatie en dat de stichting een handhavingsverzoek bij het college kan indienen waartegen bezwaar en beroep open staat.