ECLI:NL:RVS:2010:BO7068
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van schrijnendheid en regeling oude vreemdelingenwet
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie op 1 november 2007 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 12 juli 2010 dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en vernietigde het besluit.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris voldoende was gemotiveerd, met name dat het verblijf van de vreemdeling gedurende het uitstel-van-vertrekbeleid niet leidde tot schrijnendheid die een verblijfsvergunning rechtvaardigt. Ook werd geoordeeld dat de omstandigheid dat de vreemdeling vanwege een ziekenhuisopname niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet niet tot schrijnendheid leidt.
Verder werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel door de staatssecretaris terecht als onvoldoende geconcretiseerd beoordeeld. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.