ECLI:NL:RVS:2011:BP7481
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanvraag verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden met nadruk op minderjarige in Nederland geboren kinderen
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van schrijnende omstandigheden, waaronder het feit dat hij drie minderjarige kinderen in Nederland heeft. De minister wees het verzoek af en de rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, maar de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de minister bij de beoordeling van aanvragen om verblijfsvergunningen wegens schrijnendheid zwaarwegend rekent met de aanwezigheid van een minderjarig in Nederland geboren kind, ongeacht het aantal kinderen. Dit beleid is niet onredelijk en strookt met de brief aan de Tweede Kamer. De minister mocht de drie in Nederland geboren kinderen als één factor meewegen.
Verder oordeelde de Raad dat de minister terecht onderscheid maakte tussen de situatie van de vreemdeling en andere vergelijkbare zaken, waarbij onder meer rechtmatig verblijf en medewerking aan terugkeer een rol speelden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het recht op privéleven (artikel 8 EVRM Pro) faalde. De Raad concludeerde dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid binnen de grenzen van redelijkheid heeft uitgeoefend en de motivering voldoende was.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden bevestigd.