ECLI:NL:RVS:2010:BO7026
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongewenstverklaring vreemdeling buiten bereik EU-richtlijn vrij verkeer
De staatssecretaris van Justitie verklaarde een vreemdeling ongewenst vanwege een gevangenisstraf voor poging tot doodslag. De vreemdeling, van Kazachstaanse nationaliteit, woonde in Duitsland met een Duitse verblijfsvergunning en was gehuwd met een Duitse vrouw. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat de EU-richtlijn 2004/38/EG van toepassing was en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd of de vreemdeling een actuele bedreiging vormde.
De Raad van State oordeelde dat de richtlijn alleen geldt voor EU-burgers die zich naar een andere lidstaat verplaatsen en hun familieleden die hen begeleiden of zich bij hen voegen. Omdat de vreemdeling zijn vrouw niet naar Nederland had begeleid en zij zich niet in een andere lidstaat dan haar nationaliteit bevond, viel de vreemdeling niet onder de richtlijn. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris de richtlijn moest toepassen.
Verder stelde de Raad van State dat overleg met Duitsland over intrekking van de verblijfstitel niet voorafgaand aan de ongewenstverklaring vereist is, maar pas nadat het besluit onherroepelijk is geworden. Ook oordeelde de Raad dat de ongewenstverklaring geen inmenging in het gezins- en privéleven van de vreemdeling inhoudt, aangezien hij zijn leven in Duitsland kan voortzetten.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit van de staatssecretaris in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ongewenstverklaring blijft in stand.