ECLI:NL:RVS:2010:BO6800

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201011142/2/M2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.H. van Kreveld
  • T.L.J. Drouen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.3 Wet milieubeheerArt. 8.40 Wet milieubeheerArt. 8.40a Wet milieubeheerArt. 8.42 Wet milieubeheerArt. 20.1 Wet milieubeheer
Verwijzingen
14 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid voorzieningenrechter rechtbank bij voorlopige voorzieningen na wetswijziging Wet milieubeheer

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening door NVI tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland wegens overtreding van het Oplosmiddelenbesluit.

Per 1 oktober 2010 is de Wet milieubeheer gewijzigd, waarbij besluiten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, 8.40a of 8.42 Wet milieubeheer niet langer bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maar bij de rechtbank kunnen worden aangevochten. De voorzitter stelt vast dat de wetgever geen overgangsrecht heeft opgenomen voor deze besluiten.

De voorzitter concludeert dat het tijdstip van bekendmaking van het besluit bepalend is voor de rechtsmachtverdeling. Omdat het primaire besluit na 30 september 2010 is bekendgemaakt, is de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd om over het verzoek te beslissen.

Daarom verklaart de voorzitter zich onbevoegd en zendt het verzoek om voorlopige voorziening door aan de bevoegde voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem.

Uitkomst: De voorzitter verklaart zich onbevoegd en zendt het verzoek om voorlopige voorziening door aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem.

Uitspraak

201011142/2/M2.
Datum uitspraak: 3 december 2010
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
[verzoekster] (hierna: NVI), gevestigd te [plaats],
verzoekster.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan NVI een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (hierna: het Oplosmiddelenbesluit).
Tegen dit besluit heeft NVI bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2010, heeft NVI de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. De voorzitter doet uitspraak zonder zitting.
2.2. Op 1 oktober 2010 is de invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarbij onder meer de Wet milieubeheer is gewijzigd, in werking getreden.
Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidt na die wijziging en voor zover hier van belang, zijn besluiten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, 8.40a of 8.42 van die wet of een besluit met betrekking tot de handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40 van die wet van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgezonderd.
Tot 1 oktober 2010 kon tegen die besluiten beroep bij de Afdeling worden ingesteld. Sindsdien kan tegen die besluiten beroep bij de rechtbank worden ingesteld, waarna hoger beroep bij de Afdeling openstaat.
2.3. Bij deze wijziging van artikel 20.1 heeft de wetgever met betrekking tot de in overweging 2.2 bedoelde besluiten, zoals besluiten over handhaving van krachtens artikel 8.40 gestelde regels of besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42, niet in overgangsrecht voorzien.
Gelet daarop gaat de voorzitter ervan uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Dit betekent dat, indien een voorlopige voorziening is verzocht ter zake van een primair besluit dat na 30 september 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd is op dat verzoek te beslissen.
Voorts betekent dit dat, indien een voorlopige voorziening is verzocht ter zake van een besluit op bezwaar dat na 30 september 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank eveneens bevoegd is op dat verzoek te beslissen, ook als het primaire besluit vóór 1 oktober 2010 is bekendgemaakt.
2.4. Het Oplosmiddelenbesluit is blijkens zijn aanhef een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer. Bij de Wet van 22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten, is artikel 8.44 (oud) samengevoegd met artikel 8.40 (oud) en ondergebracht in een nieuw artikel 8.40. Het Oplosmiddelenbesluit is daarom naar huidig recht een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40.
Nu het besluit van 7 oktober 2010, ter zake waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, een besluit is over handhaving van krachtens artikel 8.40 gestelde regels en na 30 september 2010 is bekendgemaakt, is de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd op het verzoek te beslissen.
2.5. De voorzitter zal zich dan ook onbevoegd verklaren en het verzoek, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank Arnhem doorzenden.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.
w.g. van Kreveld
voorzitter
w.g. Drouen
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2010
262-687.