Uitspraak
200909962/1/H3.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum legde aan [wederpartij] een last onder dwangsom op om haar vlot met opbouw, de [naam], te verwijderen uit het beheersgebied, omdat het vaartuig niet als pleziervaartuig werd erkend maar als object, waarvoor geen ontheffing bestond.
De voorzieningenrechter oordeelde aanvankelijk dat het vaartuig wel een pleziervaartuig was, omdat het hoofdzakelijk werd gebruikt voor varende recreatie. Het dagelijks bestuur stelde echter dat het vaartuig door zijn unieke bouw en inrichting niet herkenbaar is als pleziervaartuig en feitelijk als object moet worden gekwalificeerd.
De Raad van State stelde het dagelijks bestuur in het gelijk. Het vaartuig is een drijvend object met een bijzondere verschijningsvorm, waaronder bosschages en een hut, waardoor het niet voldoet aan de objectieve maatstaven voor een pleziervaartuig. Het feit dat het vaartuig incidenteel wordt gebruikt om te varen, is onvoldoende om het als pleziervaartuig te kwalificeren.
Verder oordeelde de Raad dat het dagelijks bestuur terecht handhavend is opgetreden, aangezien geen concrete toezeggingen waren gedaan die een gerechtvaardigde verwachting op ontheffing scheppen en het vaartuig niet ontheffingvrij is. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het dagelijks bestuur werd ongegrond verklaard en het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van [wederpartij] wordt ongegrond verklaard en het vaartuig wordt als object gekwalificeerd, waardoor het ligplaatsverbod en handhaving terecht zijn.