Uitspraak
200903967/1/H3stelt de Afdeling voorop dat het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies neergelegd in documenten, zoals een raadsrapport en een raadsdossier, waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. De juistheid van die indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies kan door een daartoe strekkend betoog in de daarvoor geëigende procedure, in dit geval de procedure omtrent ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, aan de orde worden gesteld. De documenten die ter staving van dat betoog dienen en waarmee betrokkene een dergelijke verwijdering of correctie wil bewerkstelligen, kunnen in die procedure worden ingebracht. Dat [appellanten] zich niet kunnen verenigen met de in het raadsdossier en het raadsrapport opgenomen gegevens en dat door hen overgelegde documenten andersluidende gegevens bevatten, is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de genoemde documenten terecht niet heeft gecorrigeerd of verwijderd.
200402326/1. In die zaak werd door de huisarts ontkend dat met hem telefonisch contact had plaatsgevonden en werd tevens medegedeeld dat niets was vermeld in het huisartsinformatiesysteem waarin alle telefoongesprekken werden vastgelegd. In de onderhavige zaak heeft de minister er op gewezen dat de Raad voor de Kinderbescherming volgens paragraaf 3.1 van de Normen 2000 alle contacten bijhoudt in een contactjournaal, dat in het op het onderhavige dossier betrekking hebbende contactjournaal is vermeld dat met Parnassia is gebeld en dat een raadsonderzoeker heeft bevestigd dat het contact met Parnassia heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel omtrent de weigering om de genoemde vermelding te verwijderen. Niet valt in te zien dat de rechtbank, door de genoemde uitspraak van de Afdeling niet uitdrukkelijk in de uitspraak te vermelden, in strijd met het gelijkheidsbeginsel en in strijd met het in artikel 6 van Pro het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces heeft gehandeld.