ECLI:NL:RVS:2019:3571
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek correctie persoonsgegevens navorderingsaanslagen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om correctie van persoonsgegevens in navorderingsaanslagen door de staatssecretaris van Financiën. Het verzoek was gebaseerd op artikel 36 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Appellant stelde dat de navorderingsaanslagen onjuist waren opgelegd buiten de in een vaststellingsovereenkomst gestelde termijn.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak. De minister was bevoegd het besluit te nemen en het bevoegdheidsgebrek werd terecht gepasseerd. Verder oordeelt de Afdeling dat de navorderingsaanslagen geen persoonsgegevens zijn en dat het correctierecht niet bedoeld is om onderzoeksresultaten, meningen of conclusies te wijzigen of te verwijderen.
Appellant heeft de vaststellingsovereenkomst en navorderingsaanslagen kunnen aanvechten in de daarvoor geëigende procedures, wat ook is gebeurd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot correctie van persoonsgegevens wordt bevestigd.