Uitspraak
200502182/1), dient de term "van niet-ingrijpende aard", als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb, in bouwkundige en in stedenbouwkundige zin te worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft, een rol. Indien door veranderingen aan een woning twee zelfstandige wooneenheden zijn ontstaan, zoals in het onderhavige geval, worden deze veranderingen niet als van niet-ingrijpende aard aangemerkt en zijn deze derhalve niet bouwvergunningvrij, daargelaten het antwoord op de vraag wat dient te worden verstaan onder "het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik" in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb.