Uitspraak
200808514/1/H2) volgt reeds uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde en vierde lid (thans: het vierde en vijfde lid), en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Awir dat aan de verlening van een voorschot huur- of zorgtoeslag niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op huur- of zorgtoeslag bestaat. [appellant] kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de Belastingdienst de voorschotten niet zou terugvorderen. Ook aan de omstandigheid dat de Belastingdienst niet eerder de verblijfsstatus heeft onderzocht, zoals [appellant] heeft aangevoerd, kan dit vertrouwen niet worden ontleend. De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.