Uitspraak
200502880/1) staat daarmee de rechtmatigheid van dit besluit, inclusief het daarin opgenomen voorbehoud, vast. Eerst bij het besluit van de minister van 3 december 2002 is definitief toepassing gegeven aan de in artikel 14, eerste lid, van de ESF-regeling neergelegde bevoegdheid de subsidie vast te stellen.
200707109/1) is het EVRM niet van toepassing op een geschil tussen overheden. Zoals de Afdeling echter tevens eerder heeft overwogen (uitspraken van 3 december 2008 in zaak nr.
200704652/1en van 12 mei 2010 in zaak nr.
200901898/1/V6) geldt de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van Pro het EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt dit beginsel er toe dat een geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste ook in artikel 6 van Pro het EVRM is neergelegd, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.
200704888/1en van 19 april 2010 in zaak
200907245/1/V2) overweegt de Afdeling voorts dat, anders dan van de zijde van de minister ter zitting is gesteld, het beroep van Oliver op artikel 6 van Pro het EVRM, welk beroep hij eerst in hoger beroep heeft gedaan, niet tardief is, omdat dit artikel ziet op de redelijke termijn waarbinnen de totale procedure moet zijn afgerond. Een beroep erop kan dan ook op elk moment van de procedure worden gedaan. Dit geldt evenzeer voor een beroep op de behandeling van een geschil binnen een redelijke termijn op grond van het rechtszekerheidsbeginsel.