Uitspraak
200904857/1/V6), is de datum van de overtreding in de regel bepalend voor het antwoord op de vraag aan wie de boete kan worden opgelegd.
Raad van State
De minister legde op 22 mei 2007 een boete van €16.000,- op aan [wederpartij] als vennoot van een voormalige vennootschap onder firma wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door vreemdelingen. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat de datum van de overtreding bepalend is voor de bevoegdheid tot boeteoplegging en dat de ontbinding van de vennootschap na de overtreding niet tot het vervallen van die bevoegdheid leidt. Het boeterapport bevat voldoende feiten om vast te stellen dat vreemdelingen arbeid hebben verricht, ondanks het betoog van [wederpartij].
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de boete gehandhaafd blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen de boete ongegrond.