Uitspraak
200603222/1), mag het al of niet houden van een hoorzitting niet afhankelijk worden gesteld van een niet in de wet voorziene formaliteit. Niet geoorloofd is dat het bestuursorgaan een hoorzitting achterwege laat omdat de bezwaarde daarom niet uitdrukkelijk heeft verzocht door middel van het tijdig terugzenden van een antwoordformulier. Slechts indien, overeenkomstig artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn of haar recht gehoord te worden, kan van het horen worden afgezien. Nu in dit geval niet is gebleken dat [appellante] heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, had het CBR niet mogen afzien van het horen en is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb.
200801682/1), vloeit uit de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften niet voort dat het in artikel 8 van Pro de regeling genoemde ademalcoholgehalte moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorvoertuig. In die uitspraak is voorts overwogen dat de bevoegdheid tot het opleggen van een EMA het CBR reeds toekomt indien aannemelijk is dat betrokkene onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan genoemd in artikel 8 van Pro de regeling een motorvoertuig heeft bestuurd. Daartoe is voldoende dat het aan de aanhouding en verbalisering ten grondslag liggende vermoeden dat daarvan sprake is geweest, wordt bevestigd door het daarop ingestelde onderzoek naar dat gehalte, aldus die uitspraak. Daarom is op zichzelf niet van belang dat [appellante] tijdens haar aanhouding het voertuig niet bestuurde.