Uitspraak
200200342/1moet voor de vraag welke datum als peildatum voor een beweerdelijk schadeveroorzakend planologisch besluit heeft te gelden, worden uitgegaan van het moment waarop het besluit rechtskracht heeft gekregen. Dat moment is ingevolge het bepaalde in artikel 28, zevende lid, van de WRO gelegen op de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt. Dit is alleen anders indien binnen de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling een voorlopige voorziening is ingediend. Het college heeft bij de beoordeling van het verzoek derhalve terecht, en anders dan [appellant] heeft gesteld, 13 oktober 2001 als peildatum gehanteerd. Dat het college het verzoek van de kopers van de woning om vergoeding van planschade heeft afgewezen omdat de planologische wijziging ten tijde van de koop van de woning op 25 november 1998 en ten tijde van de overdracht op 3 mei 1999 voorzienbaar was, biedt geen grond om van een andere peildatum uit te gaan.
200506631/1biedt artikel 49 van Pro de WRO uitsluitend grondslag voor vergoeding van schade geleden ten gevolge van een planologische maatregel nadat die maatregel rechtskracht heeft gekregen. De schade geleden voordat de schadetoebrengende planologische verandering op 13 oktober 2001 rechtskracht heeft gekregen komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Nu vaststaat dat de eigendom van de woning op 3 mei 1999 is overgedragen aan [naam] en [naam], heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] gestelde schade niet voor vergoeding krachtens artikel 49 van Pro de WRO in aanmerking komt. Voor zover [appellant] aanvoert dat het niet vergoeden van planologische schaduwschade tot onbillijkheden leidt, overweegt de Afdeling dat het aan de wetgever is om te beslissen of hierin door wetswijziging verandering moet worden gebracht.