Uitspraak
200706421/1) is in geval van bouwwerkzaamheden bij de vraag naar het werkgeverschap de eigendomssituatie noch het recht op gebruik en genot van het betrokken object doorslaggevend. Evenmin staat de omstandigheid dat [appellante] ten tijde van de werkzaamheden nog geen restaurant in het pand exploiteerde, anders dan [appellante] betoogt, eraan in de weg om [appellante] als vergunningplichtig werkgever aan te merken.
200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr.
200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr.
200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr.
200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr.
200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.
200705380/1) is in artikel 19a, tweede lid, van de Wav, zoals ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikellid volgt (Kamerstukken II 1993/94, 29 523, nr. 3, blz. 17), een cumulatiebepaling neergelegd. Dat in geval van illegale tewerkstelling van vijf onderscheidenlijk zeven vreemdelingen, telkens vijf onderscheidenlijk zeven overtredingen zijn begaan waarvoor afzonderlijk een boete kan worden opgelegd, vloeit uit de wet voort. Weliswaar is de minister bevoegd een lagere boete dan € 8.000,00 per overtreding op te leggen, maar hij heeft hiervoor in de omstandigheid dat de overtredingen [appellante] geen financieel voordeel hebben opgeleverd, wat hier ook van zij, terecht geen aanleiding gezien. Deze omstandigheid laat onverlet dat door het niet aanvragen van tewerkstellingsvergunningen niet is vastgesteld of van verdringing van legaal arbeidsaanbod sprake was en doet evenmin afbreuk aan de ernst van de overtredingen, alsmede aan de mate waarin deze aan [appellante] kunnen worden verweten.
200604911/1), is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2009 in zaak nr.
200806642/1), voor de behandeling van het beroep in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Voor de beslechting van het geschil aangaande een punitieve sanctie in hoger beroep heeft, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr.
200806899/1/V6), als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen vier jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak is gedaan.
200900175/1/V6) wordt in de regel eerst met de in artikel 19 van Pro de Wav bedoelde kennisgeving van de boete jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 23 523, nr. 3, blz. 14) valt evenwel niet uit te sluiten dat in een concreet geval sprake is van specifieke omstandigheden waarbij, in afwijking van voormeld uitgangspunt, reeds voordat de boetekennisgeving wordt gedaan, jegens de beboete een concrete handeling wordt verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd.
200803832/1), brengen deze omstandigheden op zichzelf niet mee dat de minister voornemens is een boete op te leggen. Voorts is, zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 9 december 2009 heeft overwogen, de enkele aanzegging van het boeterapport door een inspecteur van de Arbeidsinspectie te onbepaald van aard, om als een zodanige handeling te kunnen worden aangemerkt. De redelijke termijn is derhalve, anders dan [appellante] betoogt, evenmin aangevangen op het moment dat [appellante] het boeterapport van 13 oktober 2005 heeft ontvangen.