Uitspraak
200204644/1werpt hierop geen ander licht. Anders dan in onderhavig geval ging het in de aangehaalde uitspraak om het ontgronden van grasland dat als fourageergebied juist een belangrijk deel uitmaakte van het dassenleefgebied.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Landerd verleende op 24 april 2007 vrijstelling aan Grontmij Nederland B.V. en een wederpartij voor het uitvoeren van het natuurontwikkelingsplan Plassengebied Maashorst te Schaijk. De rechtbank 's-Hertogenbosch vernietigde dit besluit en weigerde de vrijstelling, stellende dat de kap van bomen vergunningplichtig is en het college in strijd met artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening had gehandeld.
Het college stelde in hoger beroep dat de kap van bomen noodzakelijk was en dat het bestemmingsplan dit niet verbood, omdat het natuurontwikkelingsplan juist de natuurwaarden versterkt en het dassenleefgebied niet wordt aangetast. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de kap onderdeel is van de landschapsopbouw en dat het planvoorschrift ook open terreinen met natuurwaarde omvat. Verder concludeerde zij dat het natuurontwikkelingsplan geen verslechtering van het dassenleefgebied veroorzaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten aan Grontmij en de wederpartij. De uitspraak werd gedaan op 2 september 2009 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.