ECLI:NL:RVS:2009:BJ1880
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-ontvankelijkheid beroep tegen ministerieel oordeel over Nederlanderschap
De minister van Justitie heeft appellant medegedeeld dat het koninklijk besluit van 8 september 1998, waarbij appellant het Nederlanderschap werd verleend, voor hem geen rechtsgevolgen heeft. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing, dat door de rechtbank Rotterdam ongegrond werd verklaard.
Appellant voerde aan dat de brief van de minister wel rechtsgevolgen heeft omdat hij zijn paspoort moest inleveren, zijn verblijfsrecht moest herregelen en zijn persoonsgegevens moest aanpassen. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het koninklijk besluit dateert van vóór 1 april 2003 en dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad een dergelijk besluit met valse persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft.
De brief van de minister is een rechtsoordeel en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De gevolgen voor appellant vloeien voort uit de Rijkswet op het Nederlanderschap en niet uit de brief zelf. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.