Uitspraak
200608917/1(JV 2007/348) overwogen dat het relativiteitsvereiste aan vergoeding van inkomensschade, zoals door [appellant] verzocht, in de weg staat.
Raad van State
Appellant diende op 26 oktober 1998 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning bij partner. Deze werd aanvankelijk afgewezen omdat de partner was overleden. Pas in 2006 werd de vergunning met terugwerkende kracht verleend. Appellant vorderde vergoeding van inkomensschade over de periode dat hij ten onrechte geen vergunning had.
De staatssecretaris wees het verzoek om schadevergoeding af, stellende dat de verblijfsvergunning primair een verblijfsrecht verleent en niet bedoeld is ter bescherming van vermogensschade. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, met verwijzing naar het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 BW Pro.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak. Het relativiteitsvereiste staat vergoeding van inkomensschade in deze context in de weg. Ook was het niet nodig appellant te horen in de bezwaarprocedure, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vertraagde verblijfsvergunning wordt afgewezen.