ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7434
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- T.L. Fernig
- J.R. van Es-de Vries
- H. Benek
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in asielprocedure
Eiser diende op 24 januari 2001 een asielaanvraag in, die na diverse beslissingen en beroepsprocedures uiteindelijk op 6 april 2006 werd ingewilligd. De totale duur van het geschil bedroeg ruim vier jaar, waarbij de redelijke termijn van drie jaar werd overschreden met meer dan een jaar. De rechtbank stelde vast dat zowel de beroepsfase als de periode daarna te lang duurden en dat de overschrijding volledig aan verweerder (de staatssecretaris van Justitie) toe te rekenen was.
Eiser vorderde zowel materiële als immateriële schadevergoeding. De rechtbank verwierp het verzoek tot materiële schadevergoeding wegens niet voldoen aan het relativiteitsvereiste. Voor immateriële schadevergoeding stelde de rechtbank vast dat de langdurige procedure spanning en frustratie veroorzaakte, wat volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een grond is voor vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de complexiteit van de zaak onvoldoende was om de overschrijding te rechtvaardigen en dat verweerder verwijtbaar had gehandeld. De vergoeding werd vastgesteld op €1.500, berekend op €500 per half jaar overschrijding, en verweerder werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €1.500 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de asielprocedure.