Uitspraak
200102807/1- als eindverantwoordelijke in juridische zin is te beschouwen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Veghel legde aan appellante een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer door opslag van 200 tot 300 m3 maaisel buiten een inrichting. Tevens werd een preventieve last onder dwangsom opgelegd vanwege het gevaar dat het maaisel naar een ander perceel zou worden verplaatst.
Appellante voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onontvankelijkheid van bezwaar, schending van hoor en wederhoor, onterecht opleggen van de last onder dwangsom, onjuiste kwalificatie van het maaisel als afvalstof, en onredelijke hoogte van de dwangsommen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief van 5 oktober 2006 niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt en dat het bezwaar van 10 maart 2007 te laat was ingediend.
Verder werd geoordeeld dat het college terecht het maaisel als afvalstof kwalificeerde en appellante als overtreder kon aanmerken omdat zij het maaisel opsloeg en de overtreding kon beëindigen. De preventieve last onder dwangsom was gegrond vanwege aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van verplaatsing van het maaisel. Het college mocht handhavend optreden omdat geen concreet uitzicht op legalisatie bestond. De hoogte van de dwangsommen was proportioneel en in overeenstemming met de bestuurspraktijk.
Het beroep was niet-ontvankelijk voor zover het de hoogte van de dwangsommen betrof en ongegrond voor het overige. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.